“Ik weet nog dat we de straaljagers hoorden overvliegen richting de Punt.”

Een kleine oproep in de Gezinsbode voor amateurs om zich op te geven om auditie te doen bij het ADAK theater voor de voorstelling ‘Een tijdelijk verblijf’. Ervaring niet vereist. Ha, daar had ik meteen erg veel zin in! Ik had nooit eerder toneel gespeeld, maar het leek me leuk dus dit was mijn kans. Op naar Hoogkerk waar zich een groep van zo’n 40 mensen verzamelde. Ik voelde me nog erg onwennig, maar regisseur Hiepie Hoogeveen wist ons al gauw zodanig en speels in beweging te krijgen dat ik me al snel kon ontspannen. Tot mijn verbazing werd ik aangenomen. Lang, 66 jaar, spierwit haar, maar blijkbaar hadden ze toch wel een rolletje voor me. En wát een half jaar volgde daarop. Niet echt makkelijk hoor, voor het eerst toneel spelen, maar heerlijk om in zo’n groep met elkaar samen te werken. En geweldig dat het gelukt is om met elkaar zo’n ontroerend mooi theaterstuk neer te zetten en mooie Molukse liedjes te zingen.


De eerste maanden heb ik over de geschiedenis ontzettend veel geleerd. Al die uitleg, al die verhalen van de Molukkers over vroeger, over hoe ze zelf of hun ouders hier in Nederland kwamen, hoe ze woonden, hoe de invloed was op de volgende generaties en welke gevoelens daar speelden. Ik begon heel veel meer te begrijpen over de jaren 70, die ik natuurlijk zelf meegemaakt heb, waarin de gijzelingen en kapingen plaatsvonden.


Maar wat wist ik eigenlijk echt? Weinig, héél weinig. Ik begon nu door de verhalen uit de monden van de medespelers pas te snappen hoe zo’n geweldsgolf kon gaan ontstaan. Ik begrijp daardoor nu ook meer van de frustraties van 2e of 3e generatie kinderen van gastarbeiders en vluchtelingen. Het werd me al doende duidelijk dat ik met een heel bijzonder theaterstuk mee ging doen waarin van beide kanten onbegrip, wantrouwen, vooroordelen, discriminatie en cultuurverschillen zo beeldend neer wordt gezet. Een stuk waarin ook de verwarring van goede bedoelingen, de onhandige pogingen samen te komen, de hoop op begrip, en de bekrompen tijdsgeest te zien zijn.


Bij mij zelf was er veel verwondering en dankbaarheid, ik maakte een andere sfeer mee in het nú: Belanda’s en Molukkers die samen zingen, samen spelen, samen eten, samen lachen. Publiek dat bij de voorstelling intens zat te kijken en luisteren, dat zat te genieten en soms te huilen. Op mij maakte het na onze eerste try-out veel indruk dat een oude Molukse dame uit het publiek tegen me zei dat ze zo ontroerd was dat wij, de Belanda’s, hun Molukse liederen uit ons hoofd hadden geleerd en meezongen. Dat was meteen al een fantastische beloning voor al het zwoegen om liedjes te leren in een taal waar je totaal geen bekende klanken in herkent. Ik denk dan ook vaak hoe moeilijk het nu ook is voor de vluchtelingen die nu hier belanden. De beloningen van lovende woorden zijn doorgegaan tot en met de laatste reprise.


Met dit verhaal is het vast wel duidelijk dat ik dus nu ook weer meedoe met deel twee ’Buitenspel’ en wie weet in 2020 met het derde deel.


Lieneke Volger